| |
Gedichten van DELFINA ACOSTA
vertaald door Fa Claes
Delfina Acosta. Asunción, Paraguay, 1956, is dichteres en journaliste. Ze schrijft ook verhalen.
Haar eerste gedichten verschenen in Poesía Itinerante, 1984,
een collectieve uitgave van het poëzie-atelier "Manuel Ortiz Guerrero". Ze won de prijs
Mburucuyá de Plata in de Juegos Florales de Paraguay (culturele
wedstrijd bij de 450ste verjaardag van de stichting van Asunción, Paraguay).
Van haar verschenen: Todas las voces, mujer... (1986, "Premio Amigos del Arte"),
La Cruz del Colibrí (1993). El viaje (1995) is een bundeling van in
nationale wedstrijden bekroonde of eervol vermelde verhalen. In 1998 verscheen
Romancero de mi pueblo (tweede prijs "Federico García Lorca"),
in 2001 Versos esenciales, gedichten opgedragen ter nagedachtenis
aan de Chileense dichter Pablo Neruda en waarmee Delfina Acosta de Prijs Pen Club 2003 won.
Haar bundel Querido mio is van 2004 (Premio Roque Gaona.) Ze is columniste en
verslaggeefster over nationale en internationale literatuur voor het dagblad ABC Color.
Veel van haar verhalen en gedichten werden opgenomen in binnen- en buitenlandse bloemlezingen.
Haar bundel
Todas las voces, mujer... is een van de meest gelezen werken uit de 'Bliblioteca Virtual de Cervantes'.
ROPAJE
Es el mar mi ropaje: así desnuda
como una enorme ola a ti yo llego.
Mi ocasión la tormenta y los relámpagos,
y es la montura de mi amor el viento.
No retorno: yo voy pues son mis pasos
como a la hierba la pasión del fuego.
Soy la bestia de larga cabellera
que lame la otra lengua que es el beso.
En la forma de piedra me hallo a gusto
porque es así tan duro mi silencio
que no lo vencerá el dolor del mundo,
ni del odio la gota de veneno.
Es el mar mi ropaje: así desnuda
como una enorme ola a ti yo llego.
Brotaron en mis manos de agua sucia
las flores venenosas de estos versos.
ANGELUS
Quién pudiera aprender los largos versos
que saben las oscuras golondrinas;
ellas retornan al oír el canto
de lo que fue un lejano Ave María.
Quién dijera de pronto al recordarme:
delante de una lámpara encendida
dejaba en cada línea de papel
los versos que las páginas perdían.
Solía al ver crecidas su melena,
su lágrima y su uña andar sombría.
Y le han crecido por andarse triste
en vez de cualquier cosa, margaritas.
Y que se diga un dulce cuento al niño:
bajó la muerte a ella cierto día
en que la lluvia se volvió una gota
sobre la rosa que perdió la vida.
LOS PASAJEROS
Amigo, vamos a abordar un tren.
Desde la ventanilla miraremos
a los lobos cercándole a la luna,
y a la lluvia apagando al firmamento.
Tomaremos un breake en la campiña
donde grazna al Señor un triste cuervo.
Lloverá y volveremos a subir.
Me habré marchado de tu abrazo lejos.
Sin darme cuenta de que te has quedado
debajo del ciprés que arquea al viento,
te contaré las cosas que he callado,
y te diré en la boca que te quiero.
El tren habrá parado en la comparsa
que de esquina en esquina va hasta el puerto.
Después de un rato pitará, y entonces
me iré con él para pasar de lejos.
AQUELLA QUE TE AMÓ
Palomas, de repente, en mis mejillas.
Un sacudir de alas cuando llegas,
amado, a mi presencia, y me perdonas,
y arrancas de mi amor la sola queja.
Me juras por tus muertos, yo te juro
por Dios que a los demonios atormenta.
Y en brasas se convierten las palabras.
En pájaros sangrientos que pelean
por las migajas de la hostia última.
Ámame hombre en esta noche negra.
Mi historia es esta: un lecho solitario,
un despertarme atada siempre a hiedras
y una almohada llena de tu rostro.
Mi vida toda es sólo sueño, niebla.
Mas llegas y mi voz ya no es cautiva.
Y aquella que te amó se me asemeja.
|
|
GEWAAD
De zee is mijn gewaad: zo, naakt
gelijk een enorme golf, kom ik tot bij jou.
Mijn gelegenheid de storm en de bliksems
en van mijn liefde is het rijdier de wind.
Geen terugkeer: ik ga, want mijn stappen zijn
zoals voor het kruid de passie van het vuur.
Ik ben het langharige beest
dat de andere tong likt die de zoen is.
In de stenen vorm voel ik me thuis
omdat op die manier mijn stilte zo hard is
dat het leed van de wereld haar niet zal overwinnen,
en niet van de haat de druppel gif.
De zee is mijn gewaad: zo, naakt
gelijk een enorme golf, kom ik tot bij jou.
In mijn handen met vuil water ontkiemden
de giftige bloemen van deze verzen.
ANGELUS
Wie had de lange verzen kunnen leren
die de donkere zwaluwen kennen;
ze keren terug bij het horen van de zang
van wat een ver Ave Maria was.
Wie had plots gezegd toen hij zich mij herinnerde:
vóór een ontstoken lamp
liet ze op elke regel van het papier
de verzen staan die de bladzijden verloren.
Ze placht er somber uit te zien als ze zag dat haar
haar en haar tranen en haar nagels waren gegroeid.
En om er droevig uit te zien zijn voor haar
madeliefjes gegroeid in plaats van onverschillig wat.
En laat iemand het kind een lief verhaal vertellen:
de dood daalde tot bij haar op een dag
waarop de regen een druppel werd
op de roos die het leven verloor.
DE PASSAGIERS
Vriend, we zullen op een trein stappen.
Vanuit het raampje zullen we kijken naar
de wolven die de maan omkringen
en naar de regen die het firmament uitdooft.
We nemen straks een pauze in de vlakte
waar een droevige kraai tot de Heer krast.
Het zal regenen en we stappen terug in.
Ik zal zijn weggegaan van je verre omarming.
Zonder er me rekenschap van te geven dat je onder
de cipres bent blijven staan die buigt voor de wind
zal ik je de dingen vertellen die ik heb verzwegen
en in je mond zal ik je zeggen dat ik van je hou.
De trein zal hebben haltgehouden tussen de figuratie
die van hoek tot hoek tot aan de haven gaat.
Na een tijd zal hij fluiten en dan zal ik
met hem vertrekken om in de verte voorbij te komen.
Uit: Querido Mío
ZIJ DIE JOU LIEFHAD
Een vlucht duiven plotseling op mijn wangen.
Schudden van vleugels, geliefde, als jij
in mijn nabijheid komt en mij vergeeft
en mij mijn enige liefdesklacht ontlokt.
Je zweert me bij je doden, en ik zweer je
bij God die de demonen tormenteert.
En woorden worden tot gloeiende kool,
tot bloedende vogels die ruzie maken
over de kruimels van de laatste hostie.
Bemin mij, man, in deze donkere nacht.
Heel mijn verhaal is dit: een eenzaam bed,
een ontwaken steeds aan klimop gebonden
en een hoofdkussen vol met je gezicht.
Mijn hele leven is slechts droom, is mist.
Maar kom, dan is mijn stem niet meer bevangen.
En die jou liefhad is aan mij gelijk.
Uit: Versos de amor y de locura
|
|
|