OUD   ZIJN



De jaren van de aap







Binnen de rechtlijnigheid van leven
is denken een opvallende omweg.

                                       Fa Claes






Bij de gegevenheden van geboorte en dood is het vooral ons heengaan dat ons zorgen bereidt, al hebben de meesten even weinig zeggenschap over hun vertrek als over hun komst. We worden ons op een bepaald ogenblik bewust van onze aanwezigheid in de wereld en leven vanaf dat ogenblik met de door onszelf vaak tegengesproken overtuiging dat we eeuwig zijn; tenminste we handelen alsof er geen vuiltje aan de lucht is. Het enige wat we dienaangaande kunnen vaststellen is dat onze natuur ons blijkbaar daartoe dwingt.

Onze neiging om alles netjes in schuifjes en vakjes onder te brengen maakt het ons vaak moeilijk. Met betrekking tot ons ontstaan wordt het nog moeilijker omdat daar te weinig schuifjes en vakjes te vinden zijn. Een poging om geen facetten buiten beschouwing te laten leidt ertoe het ontstaan niet als een willekeurige gebeurtenis te zien waarin we niets te zeggen hadden. Ontstaan van (menselijk) leven heeft te maken met cellen. Een vrouwelijke eicel moet samengaan met een mannelijke. Wetenschappelijker gezegd: de vrouwelijke eicel moet door de mannelijke worden bevrucht. Daarmee is wat bijzonders aan de hand. Op het ogenblik van de ejaculatie is misschien slechts één vrouwelijke eicel beschikbaar. Daarentegen leveren een paar honderd miljoen mannelijke zaadcellen slag. Het lijkt meer op een soort van kermisattractie: de snelste wint. De vlucht van de darren achter een niet bevruchte bijenkoningin levert daar een mooie gelijkenis van. Met de kersenboom is iets soortgelijks aan de hand: miljarden bloesems leveren onvoorstelbaar veel stuifmeel. Sommige jaren staan misschien niet meer dan vijftien kersen aan de boom.

Vermoedelijk bepaalt de natuurwet wie wint, namelijk de sterkste, de heftigste, de levenskrachtigste. Indien meer dan één vrouwelijke eicel voorhanden is, is het biologisch waarschijnlijk dat ook hier de sterkste haar mededingsters versloeg. De natuurdrang is onweerstaanbaar groot, zozeer zelfs dat vaak - op nogal romantische manier - wordt gezegd dat wij er de zin of de richting niet van kennen. Is het niet gewoon de richting die overal merkbaar is: zonder aarzelen vooruit! Van al wat wij kennen - en blijkbaar kunnen kennen - is dat de enige zekerheid. De natuur gaat onafgebroken rechtdoor. Ze gaat van het enkelvoudige naar het samengestelde, van het eenvoudige naar het ingewikkelde, zoals wij dat zo mooi uitdrukken: van het lagere naar het hogere, je moet toegeven: van het materiële naar het geestelijke.

Zonder veel nadenken beweren wij dat wij geen zeggenschap hadden, terwijl juist de cellen die aan onze oorsprong liggen alles in het werk gesteld hebben om leven te realiseren, om dit bepaalde, dit ene leven, mijn leven te verwezenlijken, met verdringing van miljoenen andere cellen. De natuur is uiterst kwistig met leven en levensmogelijkheden. Het zal larie zijn dat we zo maar in de wereld worden geworpen. Dat is literaire visie, geen vaststelling. Man en vrouw zijn niet verplicht om te paren, niet verplicht om bevruchting te laten gebeuren. Man en vrouw worden naar elkaar gedreven, paren, bevruchten, laten zich bevruchten. De levensdrang in de natuur is de drang om leven voort te geven, om te verwekken. Is dat niet omdat verwekt worden de hoogste realisatie is van initiële drang? Van in mijn verste voorouders heb ik het leven gewild.

In die overtuiging heb ik geleefd. Wat mij is overkomen heb ik zelf gewild, al kan ik niet beweren dat dat tot in detail klopt. Dat ik het bestaan heb gewild, staat vast. Dat ik van in mijn verste voorouders naar het bestaan heb verlangd, lijdt voor mij geen twijfel. Enige verdere uitspraak daarover is mij niet mogelijk. We nemen aan dat cellen geen bewustzijn hebben. De cellen die mijn ontstaan hebben voorbereid wil ik geen bewustzijn toedichten. Dat in hun wordingsgeschiedenis een rechte lijn zit, lijkt me onbetwistbaar. Over grote afstand gezien weten we dat de natuur haar sporen uitwist. We trachten achterom te kijken, onze verste oorsprong te achterhalen. Sommigen veronderstellen dat de tijd zover teruggaat tot waar geen tijd was. Dat lijken wetenschappelijke bespiegelingen die geen grond meer raken. Laten we het bij het waarneembare houden. Het is een merkwaardige menselijke bezigheid, dat achterom kijken naar het verleden, naar datgene wat de natuur genadeloos achter zich laat, gebruikt, vervormt, omvormt, maar nooit vernietigt.

Vernietiging bestaat niet in de natuur. Alleen evolutie bestaat. Wat jong is wordt oud. Niet altijd, het kan als het jong is net zo goed opgenomen worden in de cyclus van cellen, atomen, of hoe je doodgaan en daarna dood zijn wetenschappelijk moet noemen. Oud worden is voor een mens helemaal niet zo evident als soms wordt voorgesteld. Heel wat geschriften over ouderdom en wat ermee te maken heeft, doen precies of het niet anders kan dan dat je tachtig of negentig wordt. Het maakt ons ongemakkelijk dat we de dood in het leven moeten incalculeren. Hoe kan het anders, we weten met de dood geen blijf. Het is ermee gesteld als met ons ontstaan, maar verwarrender. Een tijd na de geboorte is immers bewustzijn ons komen confronteren met onszelf. Naargelang de tijd voortschrijdt en wij in leven blijven, stelt het meer en meer vragen. We antwoorden wel, maar onder voorbehoud.

Ondertussen zijn we op leeftijd. Vroeger genoten ouderen aanzien in de familie, in de staat. Bij de Romeinen heette een man van minder dan vijfenveertig nog altijd jonge man. In vele geschriften heten raadslieden, hoge ambtenaren dus, ouderlingen. Voor wie nog verhaaltjes uit de bijbel kent, de kuise Suzanna werd, toen ze haar bad nam, door twee ouderlingen bespied. Die waren misschien amper vijftig jaar. De leeftijdsgrens lag niet erg hoog. Wie oud werd, genoot in ieder geval hoog aanzien, hij had lang geleefd, was iemand die veel ervaring had opgedaan, een wijs mens bijgevolg. De conclusie was vermoedelijk niet in alle gevallen juist. Maar het afwijzen van de ouder wordende mens zoals we nu meemaken, is zeker minder correct, in al de betekenissen van dat woord. Was oud zijn een eer, het is een ramp geworden.

Is het niet duidelijk dat de mensen het oud zijn als een soort van oneer beschouwen? Er bestaat een verhevigde drang om jong te blijven, tenminste jong te tonen. Niet alleen de dames kleden en kappen zich om hun uitzicht te verjongen. Het is een veel algemenere tendens, de hele maatschappij is ervan doordrongen. Je hoort zelfs veel mensen bijna onbewust die strekking in de hand werken. Uitspraken over hun kinderen als: Ze moeten het waarmaken nu ze nog jong zijn of De wereld behoort aan de jonge mensen hebben verraderlijke dubbele bodems. Ze stammen uit een mentaliteit die aan jonge mensen de idee opdringt dat ouderen hebben afgedaan. Dat heeft met generatiekloof en dergelijke minder te maken dan op het eerste gezicht lijkt. Het heeft hoofdzakelijk te maken met rendement. Vanzelfsprekend staat in een materialistisch en kapitalistisch georiënteerde gemeenschap het economisch rendement voorop. Jongeren zijn vlugger vertrouwd met de laatste nieuwigheden op ieder gebied, vooral op dat van de technologie en de informatica. Als bovendien de staat financiële voordelen verstrekt bij het aanwerven van jongeren, zetten firma's hun vijfenveertigjarige kaderleden en ingenieurs aan de deur, een besparing die mettertijd bijkomende winst garandeert.

Mensen van veertig jaar die vroeger een grote mond hebben opgezet over de jeugd die de plaats van de ouderen moet innemen, hoor je nu met benepen stem het ontslag van leeftijdgenoten veroordelen. Het eigenbelang is in elke leeftijdsgroep primordiaal.

De symptomen bij bejaarden liegen er niet om. Ze richten verenigingen op, bejaardengroepen. De onderliggende betekenis is natuurlijk: in groep zijn we sterk. Vanzelfsprekend is dat slechts een facet, maar het is wellicht het voornaamste. Bejaarden hebben nood aan elkaar omdat de anderen hen in de steek laten. Wie vijftig is en werkloos, moet zich weinig illusies maken, de kans om aan werk te geraken is ongeveer nihil. Tien jaar later zijn zijn frustraties er niet minder om. Als zestigjarige is hij volledig kansloos, komt helemaal niet meer in aanmerking. Waar vindt zo iemand begrip en steun? De bejaardengroep is een oplossing. Zoals in iedere groep ontstaan bepaalde gedragsvormen en vooral spreekgewoonten die op de duur bijna normen worden. Uitgesproken of onuitgesproken competitiegeest en grootdoenerij liggen aan de basis van iedere vereniging en van elke groepsvorming of het nu om godsdienst gaat of om scoutisme of om de vereniging van atheïsten. De bejaardengroep legt zijn leden niet op om met de vuist in de lucht Wij zijn de mannen! te scanderen. In de groep ontstaat spontaan de behoefte om zich te manifesteren, om zichzelf en de anderen te overtuigen van zijn capaciteiten, zijn mogelijkheden, zijn durf.
- Alles goed?
- Nee, zeker! Beter dan het ooit is geweest!
Het wordt erger als het van bovenuit wordt gedirigeerd. Als de hopman in de boom kruipt, klefferen hem al de welpen na. Volwassenen hebben dat niet verleerd, ze reageren mutatis mutandis identiek.

Mensen die zich interessant willen maken, zoals dat heet, komen we overal tegen. Wat bejaarden betreft, vinden we ze zelfs aan twee kanten, bij de bejaarden zelf zowel als bij de anderen. Je hoort soms desastreuze grapjes van jonge mensen die niet beseffen dat ze zelf drie maanden later in een rolstoel kunnen zitten kwijlen. Die moeten absoluut eens schrijven over mensen op "gezegende" (met aanhalingstekens!) leeftijd, die in een of andere Huize Avondrust wegdeemsteren of half dement naar hun kunstgebit zoeken. Dat zijn de hartelozen, de succesjagers die over lijken gaan, maar ook de onnadenkenden die het niet kwaad menen, de snullen die achteraf alleen het versleten excuus uitdenken Wir haben es nicht gewusst en niet beseffen dat dat hun zaak nog desastreuzer maakt. Laat die maar vallen, hun geestelijk rolstoeltje vangt hen op.

Dan zijn er mooie praatjes waaraan niemand iets heeft tenzij een vleugje namaakpoëzie. Als een tachtigjarige aan zijn toehoorders verkondigt: Ik amuseer me met de gedachte aan de dood, dan klinkt dat goed, superieur bijna. Er is zoiets fris aan dat amuseren in verband met die stugge dood. Maar wie trapt daarin? Het is een slecht afgedekte valkuil, je ziet van ver de ware toedracht. Met de kracht die hem rest, zet een mens zich over zijn terneerdrukkende gedachten en wil zeker zijn toehoorders niet belasten met de moeilijkheden waarin hij zit verstrikt. We hebben geleerd de anderen te ontzien. Onze diepste zwartgalligheden omtrent dood geven we ten andere niet prijs. We zouden het niet eens kunnen, er is niet alleen een grens aan de verwoordingsmogelijkheid, er bestaan affecten die niet voor verwoording vatbaar zijn.

Zegt iemand: Met oud worden moet je vroeg beginnen, dan ben je verrast door die contradictie. Zo gauw je verder denkt, treft de afwezigheid van fundering. Om te beginnen weet je niet eens of je oud zult worden, je hele inspanning is misschien een flop. Bovendien laat de natuur niet toe wat hier verlangd wordt. Aan mensen van zestien de mentaliteit van een zestiger duidelijk maken is onbegonnen werk. Theoretisch zullen ze er iets van verstaan, maar in feite dringt niets tot hen door, de barrière is te hoog. Op het gebied van de literatuur is dat aan te tonen. Hoeveel mensen verstaan de gedichten die Gezelle schreef na zijn zestigste jaar? Als ergens gedichten van hem worden voorgelezen, voorgedragen, dan zijn dat jeugdgedichten, O 't ruisen van het ranke riet, Dien avond en die roze, of erger nog, Boerke Naas of Hete pootjes. Nee, je kunt met oud worden niets beginnen voor de tijd rijp is. Als boutade kun je eraan toevoegen: maar als de tijd rijp is, is het te laat. De tijd doet het werk alleen.

Tenslotte zijn er nog patente leugens. Een tachtigjarige die zegt: Mijn mooiste jaren beleef ik nu. In zulke uitspraak tref je de enkeling aan die sterk genoeg staat om niet bij de vereniging steun te zoeken, hij zal voor zichzelf wel voldoende van zijn oren maken en de anderen laten horen dat het hem beter gaat dan ooit voordien. Dat is zelfs geen spontaan chauvinisme, het is moedwillig. Anders kun je het verklaren als een gevorderde staat van seniliteit die de mogelijkheid om te vergelijken met vroegere omstandigheden heeft aangetast. Waarschijnlijk komt het neer op onze menselijke eigenschap van aanpassing aan omstandigheden: we maken er het beste van, in onze uitlatingen alleszins. Objectief bekeken is het niet benijdenswaardig om seksueel onbekwaam te zijn. Welke filosoof zei weer dat duizend jaar leven niet aantrekkelijk kan zijn als je tijdens de laatste negenhonderd impotent bent. Tenminste op dat punt is oud zijn heel anders voor een man dan voor een vrouw.

Er zijn andere verschilpunten tussen man en vrouw bij het ouder worden en oud zijn. Over het algemeen zit in mannen meer verweer tegen het leven dan in vrouwen, meer onaangepastheid blijkbaar. Van veel mannen heb je de indruk dat ze iets zoeken wat niet te vinden is. In dat verband denk ik telkens aan de laatste versregels van Goethes Faust: Das Ewig-Weibliche zieht uns hinan. Ik denk dat de vrouwelijke helft van de mensheid daar weinig aan heeft. Meestal klinkt enige ironie door als vrouwen die tekst commentariëren, een gewillig grijnslachje om de man - de rokkenjager - die meent het heelal op zijn poten te hebben gezet.

Een van de verschilpunten is dat vrouwen hechtere banden hebben met hun familie, alleszins met hun kinderen. De bezorgdheid van de moeder, de geestelijke nabijheid van de vrouw bij haar nakomelingen is aanzienlijk groter dan die van de vader. Bij oudere mensen bepaalt het rollenpatroon van vroeger grotendeels nog de verhoudingen. De uithuizige man had minder contact enzovoort. De moeder daarentegen et cetera. Dat buiten beschouwing gelaten blijft toch altijd de nauwere fysische en geestelijke band tussen moeder en kind. Hoeveel oude vrouwen heb ik sokjes zien breien voor hun kleinkinderen? Wat stelde de man daar tegenover? Het breien van sokjes is uit de mode geraakt. Maar kijk naar de nabijheid van moeder, dochter, kleinkinderen, en kijk naar de onhandige gezelligdoenerij van de opa. Natuurlijk zijn er uitzonderingen.

De vrouw hoort in zekere zin nauwer bij het leven dan de man. Ieder embryo is vrouwelijk, slechts na zoveel weken bepalen de xx-chromosomen of het om een meisje, de xy-chromosomen of het om een jongen gaat. Daarbij blijkt dat het y-chromosoom in feite niet meer is dan een x-chromosoom met een been af. In hoofdletters voorgesteld is het beeld duidelijker: X - Y. Het was voor de mannelijke trots een zware slag toen de wetenschap dat vaststelde. Anderzijds wordt de uitspraak van Goethe ineens minder belachelijk. Das Ewig-Weibliche kan een heel eind verder teruggaan dan door Goethe letterlijk bedoeld. In dat geval sluit het aan bij wat Johannes-Paulus I heeft gezegd - het werd hem kwalijk genomen, de theologen wisten er blijkbaar geen raad mee -: God is meer onze moeder dan onze vader. Indien van schepping sprake is in het universum, dan denk ik dat het vrouwelijke principe aan de basis ervan ligt. Of er schepping is geweest, is een andere vraag.

Vrouwen leven langer dan mannen. Het is een vaststelling waarmee we niet weten wat doen. Oud worden is eigenlijk geen verdienste van de mens, hij heeft weinig positieve medezeggenschap. We hebben geen uitleg voor wie te vroeg uit het leven werden weggenomen. Wie oud wordt, werd door de dood gespaard en heeft geen zelfmoord gepleegd. Mensen beschouwen oud worden wel als een succes. Wie boven de honderd komt, kan op algemene bijval rekenen.

De vraag is of oud worden gewenst is. Van nature uit zijn we aan het leven gehecht. Relatief weinigen staan afkerig tegenover een leven op hoge ouderdom. Alleen als uitzonderingsgeval zie ik die ene man die bang was ouder dan zestig jaar te worden. Hij stierf aan een hartaanval toen hij bijna zestig was. De meesten hopen voor zichzelf een lang leven, gezond vooral. Het zijn gezonde mensen die zich afvragen welke waarden hun ongeneeslijk zieke soortgenoten ertoe brengen de dag van morgen gelaten af te wachten. Het standpunt van de mens die levenslang kreeg in een rolstoel is vermoedelijk heel anders dan dat van de mens in blakende gezondheid. Wie met een bochel door het leven moet, ziet dezelfde realiteit anders dan anderen. En wat te denken van de zieke die al tweeëntwintig jaar in bed ligt, die nooit uit bed is gekomen tenzij gedragen door twee verpleegsters? Het is met die mensen erger gesteld dan met de blindgeborene die niet beseft dat hem iets ontbreekt, hij kent slechts het bestaan van vier zintuigen, de vier waarover hij beschikt. Oud worden - en oud zijn - is blijkbaar ook voor hen een zegen.

Eigenlijk is het allemaal zo verschrikkelijk banaal: als we gezond zijn of vinden dat we niet hebben te klagen, kan oud worden ons niet deren. Een tante van me was vijftig toen ze blind werd. Ze heeft zich stilaan leren aanpassen in huis, verrichtte karweitjes als aardappelen schillen. Ze is tweeënnegentig geworden. Zelfs de laatste weken was ze opgewekt als altijd. Met een schelmachtig glimlachje vertelde ze graag dat ze bij het overlijden van haar man, ze was toen zeventig, niet het minste verdriet had gevoeld. Haar handgebaar illustreerde hoe weinig ze om hem had gegeven, ze knipte met haar duim langs haar wijsvinger, ze wist wat zien betekent, ze verkneukelde zich dat wij het zagen.

Er is geen vaste lijn te trekken, het leven trekt nergens een lijn. Het zijn de complicaties van de sociale omstandigheden die de donkere kleur aan het oud zijn geven. Vergelijking met vroeger haalt weinig uit. Het komt erop neer dat de levensgewoonten anders waren. De meeste mensen hadden veel kinderen, van hen bleven vaak enkelen ongetrouwd, die namen de zorg voor de ouders en zelfs de grootouders op zich. Nu leven onnoemelijk veel mensen in omstandigheden die weinig overlast toelaten. Het appartement is niet groot, om niet te zeggen dat je er niet met zijn tienen binnen kunt. Een tweede slaapkamer lijkt luxe. Voor de rest staat het vol met modern comfort, stereo-keten, tv, video, computer voor spelletjes. Plaats voor mensen is er relatief weinig, ook in de gedachten van de bewoners. Niet alleen tijdgebrek heerst, er heerst groeiende on-aandacht voor de anderen, voor al de anderen, oud en jong.

Oude mensen raken door fysische regressie geïsoleerd. Ik twijfel eraan of ouderen vroeger zich zo goed voelden in de huiskring. Hun isolement binnen die kring was volgens mij harde realiteit. Voor zover ik weet hoorden ze erbij, en toch stond daar die onoverkomelijke barrière. Mijn indruk is altijd geweest dat ze die zelf opriepen. Ouderen kenden zich een aparte rol toe. Ze hadden hun verantwoordelijkheden afgestaan, ze werden toeschouwer van het toneelstuk Het leven der anderen, en ze beseften dat hun eventuele bemoeienis de voortgang niet eens zou storen. Ze keken toe, en als niemand het zag schudden ze bedenkelijk, meestal afkeurend, hun hoofd.

Het is niet prettig om vaststellen misschien, maar de oude mens is in de wereld overtollig. Zeker in wat tegenwoordig algemeen wereld wordt genoemd, maar dat is een beangstigend eng wereldje van driftige macht- en geldzucht. De waanbeelden van luxe en winstbejag hebben de mensen zozeer verblind dat ze de overtolligheid van goudzoekers en geldmagnaten niet beseffen. Ze beseffen hun eigen overtolligheid als hebzuchtige niet. Hoe vlugger de geldmagnaat doodvalt, hoe beter dat is voor zijn erfgenamen. Als die zelf erfgenamen hebben, loopt de ketting voort. Ik heb in dergelijke gevallen weinig treurnis om de overledene vastgesteld. Het grote gemis zag ik bij het heengaan van een hartelijk mens. Voor alle duidelijkheid: ik denk hierbij alleen aan de dood van mensen op zekere leeftijd. Aan de dood van jonge mensen, van kinderen, kleeft zoveel onbegrijpelijks dat het leed en het gemis in die gevallen de grens van het draaglijke overschrijdt.

De bejaarde overtollig? In feite is ieder mens overtollig voor wie hem niet kent. We beelden ons in dat we onmisbaar zijn, we weten beter. Het leven vraagt ten andere niet om beter weten, het vraagt om activiteit, branie, eten en paren. Later, als dat allemaal voorbij is, mag je gaan zitten en overwegen wat weg is en wat nog komt. Het vooruitzicht verengt meer en meer. De enige mogelijkheid is tenslotte de ijsschots van de Eskimo's. Die gingen als ze oud waren stilletjes ervandoor, lieten zich op een ijsschots wegdrijven. De kou deed de rest. De ijsschots komt voor iedereen, of we willen of niet.

Het baat de filosoof weinig dat hij in geleerd overleg met zichzelf zijn gedachten in het gelid zet, ze veldslag laat houden met opwerpingen en meningsverschil, om in het beste geval achteraf troepenschouw te houden van de enkele niet gesneuvelden. Hij bereikt niet meer dan de oude biersteker die elke dag bij mooi weer in zijn karretje tot bij de deur in de zon werd gereden. Hij was verlamd geraakt, een slepende ziekte aan zijn voet had zijn bloed en zijn hersens aangetast.
- Hoe gaat het, Mon?
- Goed, heel goed.
Dat was jarenlang het enige antwoord dat zijn communicatiedrang nog fabriceerde.
- Goed geslapen? Goed gegeten? Is het hier goed? Is het ginder goed?
- Goed, heel goed.

Waarover zullen we bezorgd zijn? Zolang gezondheid het ons toestaat, beschikken we over een paar mogelijkheden. We kunnen in de put van het geloof springen. Het afstaan van eigen rede is voor velen een steun, de verantwoordelijkheid ligt dan bij de ander. Daar valt wat voor te zeggen, ons gezond verstand weet niet zoveel hoopgevends in het vooruitzicht te stellen als een geloof. Dat geloof en vooruitzicht elkaar een beetje tegenspreken, moet je vergeten. Ieder geloof ziet de eigen fata morgana's voor realiteit aan.

We kunnen ons ook filosofische bespiegelingen veroorloven en bij voorbeeld uitdenken - anderen hebben dat al gedaan - dat het oud zijn een terugkeer is naar de toestand van voor het bewust-zijn, dat we uit een geestelijke wereld stammen, dat onze echte geest staan blijft op het punt waar wij bewust worden en een menselijk leven, een aards bestaan beginnen. Waar dat menselijke leven bij het ouder worden achteruitgaat, gaat het geestelijke vooruit, in die zin dat we opnieuw aansluiting krijgen met onze echte geest. De lichamelijke dood is het herleven in die echte geest. Wie zijn geluk en zekerheid in dergelijke constructies vindt, is misschien benijdenswaardig.

We weten het al langer, er zijn evenveel houdingen en oplossingen als er mensen zijn. Ik ken geen filosoof die akkoord gaat met zijn voorgangers, geen werkelijk religieus bevlogene die niet een nieuwe godsdienst sticht. Iedere dichter wil Homerus overtreffen, ieder is voor zichzelf de Nobelprijs waard. Anderzijds: ik heb nog niemand gekend die aan het eind van zijn leven vond dat zijn werk inderdaad àf was. Enkelen hebben uit nauwgezetheid gedaan alsof, ze lieten geen aantekening na, geen schets, geen schema, geen aanzet voor een nieuw werk. Bij de meesten ondervind je dat ze weten dat hun leven ten einde loopt. Daarbij houdt het in alle betekenissen op. De berusting is een vorm van vermoeidheid en gewenning. Er ontstaat een soort van moedig tegemoet treden van het onvermijdelijke. Het lijkt bewonderenswaardig. Het verliest van zijn glans als je bedenkt dat geen andere mogelijkheid overblijft.

Je kunt er een eind aan maken. Wie niet te verzwakt is, kan een touw zoeken, een mes, een pistool, een kanaal, een achtste verdieping. Een overdosis slaapmiddelen lijkt mij meest geschikt, het is netjes, het is niet gewelddadig. Maar onwillekeurig voelen we aan dat het probleem daar niet ligt. De andere vragen zijn prangender. Wat als je je zeggenschap verloren hebt? Maar vooral: Is vrijwillige zelfdoding wenselijk? Is ze verantwoord? Ik zie geen pasklare antwoorden bij die opgaven. Bij het boek van het leven bestaat geen Partie du maître zoals dat vroeger heette, het Deel van de leraar waarin de oplossingen gegeven waren. We moeten zelf aan het werk om ons enige doorgang te hakken in de jungle van voorstellingen, opwellingen, plannen, bedoelingen, banden.

In het geval van de oude mens die alleen uitzichtloze pijn en aftakeling voor zich ziet, kun je niet anders dan zelfdoding als aanvaardbare oplossing zien, voor de mens in kwestie wenselijk en verantwoord. De volkse wijsheid dat je zo oud bent als je je voelt, zweeft in die omstandigheden in het luchtledige. Sukkelachtigheid, aftakeling, ziekte bepalen hoe je je voelt, enige medezeggenschap heb je niet op dat punt. Het is begrijpelijk dat mensen in dergelijke situatie van twee kwalen de minst langdurige, in bepaalde gevallen zelfs de minst gruwelijke kiezen.

In oudere tijd en in minder beschaafde, minder welgemanierde gemeenschappen stonden zwakke oude mensen evenmin in aanzien als nu. Wie door traagheid werd geplaagd, door de vroeger vaak grote ongemakken die de hoge leeftijd meebracht, werd in de maatschappij en in het gezin niet ontzien. Het sprookje van de gebroeders Grimm windt er geen doekjes om. De mens leeft gemiddeld zeventig jaar, zegt dat sprookje, en daarvan zijn de laatste tien de jaren van de aap. De mens wordt zwak in zijn hoofd en dom, und wird ein Spott der Kinder.

Zo grimmig is het gelukkig niet altijd. We moeten ook de positieve kant zien van een gezegende leeftijd. Je bent verlost van veel verantwoordelijkheden, je hebt minder behoeften, je kunt je kinderen bijstaan als dat nodig is, je kunt de tijd nemen om een dag niets te doen. Vooral dat laatste gaat naar de diepste zin van leven. Alle materiële welstand en jacht daarnaar, de overdreven concurrentie, de aangewakkerde machts- en bezitsdrang zijn gevolgen van een ons opgedrongen maatschappijbeeld dat voorbij kijkt aan wat leven is, en dat voor velen het leven tot een arbeidskamp maakt. Wie aan mensen normen voorschrijft, haalt die bij zichzelf. Het leven kent geen normen. Leven wil voortleven, wil eten en paren. De rest is versiering. Het verzinsel van de morele wet die in het hart van de mensen staat geschreven, is een mooie poëtische verwoording. De mensen hebben zich zo ver mogelijk willen distantiëren van het dier dat ze in oorsprong en in wezen zijn. Vandaar de morele wetten, vandaar de buitenaardse goden van wie ze afstammen, vandaar de schepping van de mens, van Adam de bevoorrechte. Als verhaal is het ontstaan van de wereld, vooral het ontstaan van de mens, uit de hand van een Almachtige aantrekkelijker dan de vaststelling dat cellen het ontstaan van cellen bepalen. Het is aantrekkelijker een hemel in het vooruitzicht te stellen dan te moeten toegeven dat onze cellen en de atomen waaruit ze bestaan hun werking als organisme stopzetten en andere verbindingen aangaan. De mogelijkheid van een totale vernietiging is onbestaande. Waaruit wij voortkwamen en waar wij naar toe gaan ligt niet binnen ons kenbereik. Dat we behoren tot het bestaande waarbuiten niets bestaat, tot de kosmos die in tijd niet te kennen en in ruimte niet te overzien is, is onze enige zekerheid op dat punt.

Wat mij betreft, ik denk dat ik het bestaan heb gewild, al sinds alle eeuwigheid. Ik ben mij ervan bewust dat mijn levensdrang mijn leven in stand zal houden zolang dat enigszins mogelijk is. Ik wil zelfs oud worden en oud zijn indien die toestand geen onoverkomelijke ongemakken meebrengt voor anderen en voor mezelf. Mijn wezen zegt mij dat ik de drang belichaam van het heelal dat naar voortgang streeft, naar meer dan voortgang, naar vooruitgang, naar groei, zelfs als die op een bepaald ogenblik stopt en in iets totaal anders overgaat. Tijdens de zwaarste depressies overheerst in mij een diep bewustzijn van leven dat sterker is dan welke depressie ook omdat leven, bestaan, de basis vormt van de mogelijkheid tot depressie. Ik voel mij in dat bestaan op ieder ogenblik gemakkelijk en thuis.



Vervolg - twaalf jaar later, twaalf jaar vermoeider, twaalf jaar wijzer, wie weet


Het is moeilijk om te bepalen wanneer je oud bent, het ouder worden gebeurt langzaam aan. Bij de eerste verschijnselen geef je je niet gewonnen, je doet alsof ze niet bestaan. Pas als je moet toegeven dat het niet anders meer kan voel je je keel dichtgeknepen. Je kon nog lopen. Dat verandert stilaan in wandelen, en dat verandert in een slentergangetje, hoe langer hoe minder ver. Je kon nog fietsen. Je fietste zonder moeite twintig kilometer. De dag komt dat die moeite te zwaar weegt, volgende keer fiets je vijftien kilometer, een jaar later tien, zes maanden later vijf. Je voelt het aankomen, op een dag fietst je niet meer. Sommigen zeggen: je moet blijven oefenen. Alleen degenen die er niets van begrijpen beweren dat. Ze hebben nog niet ondervonden dat er niets meer is om te oefenen. De slijtage door de jaren is zo groot dat je de schade niet meer herstelt. Een oude motor oefen je niet in het draaien, daarvan weet je: als je die laat draaien gaat hij stuk. De gang van zaken heet dat. Als je een oud mannetje laat oefenen gaat hij stuk. Dus oefent hij niet meer, of alleszins onvoldoende. Dus neemt de verstramming toe, dus vermindert de oefening weer en de circulus vitiosus wordt elke maand kleiner. Wie die circulus kent weet dat er geen verweer bestaat. De circulus vitiosus ligt rond je strot en gaat langzaam dicht.

Mensen schijnen te denken: je gaat lichamelijk wel achteruit, je fysieke krachten nemen af, maar geestelijk blijf je even sterk. Zolang je niet dementeert veronderstellen de meesten dat je over al je geestelijke vermogens beschikt. In algemene zin is dat waar. Je beschikt nog over je kennis, grotendeels een kwestie van geheugen, je hebt nog je redeneringskracht, een kwestie van ontwikkeling van je denkvermogen, je bezit nog je vermogen tot aanvoelen en inleven, je fantasie, vaak een kwestie van combineren. Alles bij elkaar ben je geestelijk niet zo verzwakt als je fysieke conditie kon laten vermoeden. Toch besef je dat je werkkracht uitzonderlijk snel is achteruitgegaan. Het aantal uren per dag waarop je nog in staat bent tot degelijk geestelijk werk is met de jaren tot een beperkte tijd geslonken. Neem bijvoorbeeld het eenvoudigste: lezen. Vroeger las je zonder moeite vijftien, zestien uur per dag, romans, essays, filosofie. Nu lees je geen romans meer omdat verhaaltjes je niet meer interesseren, je leest zelden essays, de meeste zijn te jong, je kijkt er dwarsdoor, ze zijn vaak meer ambitie dan begrip. Dat streelt de ambitie van jonge mensen, zelf heb je die al lang niet meer. Eigenlijk heb ikzelf ze nooit gehad. Filosofie lees je al helemaal niet meer. Zo gauw je hebt achterhaald dat het om denkoefening gaat meer dan om levenswijsheid geef je het op. Als de literaire vorm interessant genoeg is, dan, ja. Maar weinig filosofische bezigheid haalt het peil van Le mythe de Sisyphe. Wat je nog doet is overdenken, meestal eroverheen denken, meegedragen worden op herinneringen en associaties, uitweidingen, flarden, niet bij elkaar te brengen gedachtevlagen, niet eens duidelijk geformuleerde aanvoeling, overweging, bedenking, vaststelling. Als je een zin opschrijft past de volgende er niet meer bij. De kracht tot ordening is weggevallen, je wil wel orde scheppen maar de wanorde overheerst, de levenswanorde waar je vroeger tegen vocht en die je in een enigszins logische dwangbuis wrong. Wie de meeste orde kon suggereren stond bovenaan de ladder, nee, bovenaan de acrobaten-piramide. Dat was vroeger zo, maar is het nog altijd. Waar je vroeger filosofen meende te zien, zie je nu de gedachte-acrobaten aan het werk, denkbeeldig zweefwerk aan denkbeeldige trapezes.

Oud ben je pas als je krachten zover zijn achteruitgegaan dat alles je moeite kost. Het begint bij het wakker worden. Een nacht slapen zonder gestoord te worden door dromen, door wakker liggen en de slaap niet meer kunnen vatten, door dwanggedachten die je weg wil dwingen en die je niet weg krijgt, nee, een nacht slapen zonder gestoord te worden ken je niet meer. Wankel stap je je bed uit. Doe het maar voorzichtig. Tracht rechtop te staan, zoek je evenwicht en voel of je benen je willen dragen, of je gewrichten willen bewegen. Als je daar zeker van bent, kun je stapje voor stapje naar de badkamer. O, het is zo prettig om wakker te worden. Je bent je versufte hersenen nog bij elkaar aan het ronselen als iemand wat zegt. Iemand? Dat is mijn vrouw, dat is zij die alles voor mij over heeft, de liefste voor wie ik zelf mijn leven had gegeven.

Je emoties moet je bedwingen, ze overvallen je alle in één keer, en let op, je bent pas wakker, je bent zwak. De liefde en heerlijkheid van jaren pakken in één moment samen. Je kan wel huilen van gemis, want in dit éne ogenblik vergelijk je de glorie van jaren liefde met dit armzalig lege moment. Waar is die onweerstaanbare drang die je naar haar armen stuurde? Waar is die onweerstaanbare gloed die zij uitstraalde tot in haar stem? Ook als die gloed maar een vermeende gloed was, hij was zo fel dat de kamer erdoor verlichtte, het bed werd breder en zachter, het uur milder en ruimer en wijzelf raakten telkens meer voldaan en meer doordrongen van elkaar.

Je denkt aan de lofzangen op de ouderdom die je hebt gelezen. Je wil er niet aan denken, maar ze dringen zich op, ze kwamen van ontwikkelde mensen, van een dichter, een psycholoog, een arts, een filosoof, een filosofe. Wat een schijnheilig, zoeterig geleuter en strebertum. De verworvenheden van de ouderdom. De berusting. De beleving van de wijsheid. De beleving van de grote vrijheid: niets hoeft nog. Nauwelijks vijftig zijn ze als ze zeer vooruitziende schrijven over dingen waar ze geen benul van hebben. Niks weten ze ervan, totaal niks. Maar ze zetten het vlijtig op papier en kunnen er bij hun soortgenoten nog naam mee maken ook. Wereld, waar ben je mee bezig?

Elke dag begint met gesukkel, het slechte humeur. Je komt je bed uit en staat wankel op je benen. Je mag je gelukkig prijzen als een kop koffie je gedachten wat opfleurt, je de kracht geeft om de donkere kanten wat van je af te zetten. Neem je pilletjes en tabletjes, de geheimen van de gezondheid liggen binnen je bereik. Het ziet er voor de rest van de dag niet te slecht uit. Dat is de overtuiging van de huisarts, de internist, de cardioloog. Het gaat je goed, bijzonder goed. Als je laat merken dat dat niet jouw oordeel is, zijn ze bereid je mee te nemen naar de afdeling geriatrie, psychiatrie, of naar het ouderlingentehuis, daar liggen en zitten al die wrakken bij elkaar die hun mooie oude dag beleven. Iedereen weet dat zulke verwijzing niet helpt. Je krijgt ze herhaald tot ze je de strot uitkomt. Die, en al de rest.

Elke dag verman je je. Tenminste zolang je de kracht nog hebt, je voelt die duidelijk verminderen. De kans bestaat dat je op een dag die kracht moet missen en dat alleen je zwartgalligheid overblijft.

Zover ben je niet. Je helderheid van geest beoordeelt maar je mist de kracht tot uitvoeren. Je bouwt uit waarneming en overdenking redenering op, maar ze opschrijven is te veel. Je denkt: het staat wel ergens, en daar laat je het bij.

Je beseft dat je je tijd nodig hebt, dat je aan het werk moet als je nog iets wil presteren, maar buiten dat besef blijft niets over om aan het werk te gaan. Je zit, je overlegt, je paait jezelf met: straks misschien. Jongere mensen beseffen nog niet bij benadering hoeveel inspanning aan het werk gaan kost. Wie oud is heeft het vroeger evenmin beseft, kijkt er met ongeloof op terug, en kijkt met nog meer ongeloof naar de huidige toestand van lusteloosheid en gebrek aan interesse. Nu is de dag voorbij vooraleer je de beslissing hebt kunnen nemen om het werk aan te vatten. Een voorbeeld. Gisteren had ik in gedachte een zin geformuleerd die ik dringend moest opschrijven. Die ene zin optekenen was te veel. Ik heb het gisteren niet gedaan. Ik ben die zin kwijt, mijn geheugen weigert hem te reproduceren. De eeuwigheid zal het zonder die zin moeten stellen. Ikzelf ook. Kan het de eeuwigheid niet schelen, mij ook niet. Ik wil zitten. Ik weet dat dat betekent: ik wil suffen. Het betekent: laat me gerust. Het wordt avond zonder dat ik de dag een duwtje geef. Met in gedachte: oud zijn, oud zijn... is de dag reeds voorbij. Mocht dan de zon nog schijnen. De meeste ouderen zitten voor een verregend raam, alleen. Daarvoor moesten ze een leven lang in leven blijven.

Je zit. Je wacht. Je interesseert je zelfs niet voor de vraag of je gelukkig bent.

Wie over oud-zijn schrijft, doet dat op ogenblikken waarop zijn geest in staat is tot concentratie en tot schrijven, dat wil zeggen precies op die ogenblikken waarop de ouderdom zijn nefaste invloed niet laat gelden. Het is volstrekt onmogelijk de precieze toestand van machteloosheid door leeftijd weer te geven op het ogenblik dat je hem ondergaat, aangezien je precies dan niet de geringste kracht hebt daartoe. Al wat door mensen beneden de 75 over oud zijn geschreven wordt is daardoor alleen al totaal onbetrouwbaar, en al wat ouderen schrijven in feite eveneens aangezien hun indrukken slechts de weergave kunnen zijn van de goede ogenblikken, niet van de meest karakteristieke voor het oud zijn, de uren van lummelige krachteloosheid, verwarring, behoefte aan al wat een ietwat dieper gaande uiting kan zijn van een toestand van totaal gebrek aan de mogelijkheid daartoe. Ik ben mij op dit ogenblik volkomen bewust van de tegenspraak die ikzelf hier representeer. De helderheid van geest van dit moment weerlegt alle nefaste beweringen die ik hier bedoel uit te spreken. Het is er mij om te doen aan te tonen hoe ellendig de toestand van totale krachteloosheid is, terwijl ik hier zit te gonzen van de gedachten, te blaken van gezondheid - bij wijze van spreken - en te genieten, uitermate te genieten, van de kracht waarmee ik mijn gedachten orden en ze nog formuleer ook. Het lijkt erop alsof je aan een zwakzinnige die maar voor zich uit zit te staren zonder ergens op te reageren de opdracht geeft: schrijf op wat je op dit ogenblik ervaart. Zijn reactie daarop is de enige die je kunt verwachten: geen reactie. Enige uitleg over het wezen van de krankzinnigheid krijg je nooit van de persoon in kwestie.

Je betrapt je erop dat je voor je uit zit te kijken, je fixeert een ball-point voor je op tafel. Je weet niet hoe lang je daar al zit zonder te denken, althans zonder te weten dat je denkt of wat je denkt. Alles ligt en staat er naar gewoonte, papier, boeken, het computerscherm. Het interesseert je niet. Je maag is een beetje lastig, je zou liefst gaan liggen, je ogen sluiten, slapen. Je slaapt al zoveel op een dag dat je je daartegen verzet. Maar de vermoeidheid drukt op je hart en je hebt nog niets gedaan, je zit hier van negen uur, er is een kwartiertje voorbijgegaan en kijk! het is half elf. Niemand begrijpt dat de tijd zo vlug gaat. Je bent er ongelukkig om. Je moet het van je afzetten, alles komt aandringen, al wat je ooit verkeerd hebt gedaan, tegenover je kinderen vooral. Kon je dat maar goed maken. Het knaagt zo aan je dat je vermoeidheid dubbel zo groot wordt, je machteloosheid om het te verhelpen slaat je terneer, je moet jezelf met geweld ervan overtuigen dat je niet beter wist, dat je op dat ogenblik en met jouw mogelijkheden niet anders kon. Het helpt nauwelijks. Alleen wordt je zo moe dat je je laatste weerstand voelt verdwijnen, alles wordt vlak, alles krijgt de kleur van hulpeloosheid, een groot vlak water, een meer, een zee, een oceaan van melancholie die tot aan je lippen reikt. Daarin drijf je al een hele tijd, maanden, jaren. Iedereen ontkent dat, en door de ontkenning zo vaak te horen ben je verplicht die te aanvaarden. Maar je krijgt je droefheid niet van je afgezet. Je doet alsof ze niet bestaat al was het maar om het de anderen niet moeilijker te maken. Ze ook daar nog mee tot last zijn, bespaar ze dat. Denk je dat bewust? Het is misschien een levensstijl.

Je leeft met het grootste dilemma. Alles in je vecht om te leven, om te bestaan. Alles in je zegt dat dat leven voor negentig tot negenennegentig procent waardeloos is, het is suffen en slenteren, je kunt niet eens een heuvel oprennen om daarboven je armen open te slaan in de zon. Je rent geen enkele heuvel meer op. De enige richting die jou nog rest wijst naar omlaag. Ondertussen voel je je groter dan de zonaanbidder, dat lelijke beeld dat boven Rio de Janeiro op de top van de berg staat, en je heft je armen en je hart hoger en hoger. In gedachten althans. In realiteit raak je na wat inspanning verward, vermoeid. Hoe moet het nu verder? De vermoeienis ondergraaft je. Je hoofd wil niet meer mee, flarden, vegen, kleurloos waas. Je hart wordt zwaar tot in je armen en benen. Het enige wat je overblijft is opgeven. Je sukkelt naar je zetel, gaat liggen. Niets houdt nog enig verband. Veeleer dan in slaap te vallen, val je in zwijm.

Als niets nog overblijft... Net voor je in zwijm valt voel je trots dat je dit meemaakt. Omdat je terug wakker wordt, kun je je afvragen waarom.

Over de hinderlijkste momenten van het oud zijn schrijft geen mens omdat niemand bij machte is de hinderlijkste momenten te ondergaan en ze terzelfder tijd verantwoord weer te geven. Je schrikt als je eraan denkt dat het nog erger kan. Misschien komt de tijd dat je alleen nog zweeft tussen de hinderlijkste momenten en de flarden, de vegen, het kleurloos waas. Als het voor anderen een troost kan zijn, die zul je nooit verwoorden.



Oud zijn - Vervolg 2 - 81 jaar


Je bent bang voor het ogenblik waarop je je gedachten niet meer in een betoog kunt ordenen, een min of meer sluitend betoog, of tenminste een uiteenzetting die op voldoende wijze is opgebouwd. Je kunt nog je gedachten noteren, afzonderlijke alinea's. De concentratie om de onderdelen tot een geheel te verwerken, breng je niet meer op. Je troost je ermee dat het leven niet bestaat uit een oordeelkundig opgebouwd geheel. Leven is een aaneenschakeling van onsamenhangende brokstukken waarin wij een eenheid trachten te zien. Vooral filosofen - stel je voor, beroepsfilosofen! dat wil zeggen: mensen die hun boterham verdienen aan de filosofie! - vooral die filosofen willen het voorstellen alsof de filosofie primeert, alsof de filosofie het leven bepaalt. Op geestelijk gebied is dat het oude waanidee van de grote orde. Het heelal was een harmonisch samenstel van allemaal perfecte bollen. Wij waren daar een afstraling van. Niet het lichaam, dat was streng van de geest gescheiden, dat was maar stof, maar die geestelijke vermogens, mensen toch, is daar onzin over verteld. Alles moest tot orde worden herleid. Nog altijd leven latent die waanzinnige opvattingen verder. Orde is er niet, maar de poging tot orde wordt zo hoog aangeslagen dat ieder doet alsof hij ze persoonlijk maakt of doormaakt. Je komt hoe langer hoe meer onder de indruk van het menselijk bedrog, dat wil zeggen, je doorziet het hoe langer hoe meer, en je zet het hoe langer hoe meer van je af.

Ik weet en besef wat het betekent dat ik op dit ogenblik nog over al mijn levensgeesten beschik. Rond mij zie ik voldoende leeftijdgenoten bij wie ze hebben nagelaten, ten dele, grotendeels, soms geheel. Ik verzet me tegen het ogenblik waarop die geesten mij zeggen: wij willen liever in de zetel gaan liggen met onze ogen dicht. Ik zie er veel, veel zetels, en heel veel gesloten ogen. Ik zie nog meer rolstoelen, ziekbedden, operatietafels, grafzerken.

De tijd komt dat ik misschien niet meer lees. Ik lees nu al geen boeken meer, de lengte schrikt me af en ik weet dat ik zal afdwalen in gedachten en niet volg wat de auteur vertelt of betoogt. Overigens heb ik al zoveel gelezen dat mij weinig nieuws kan geboden worden. Waarom zal ik herlezen wat ik reeds weet? Vroeger kwam ik op ontdekkingen uit. De laatste jaren ontdek ik niet meer. Alleen uiterst zelden treft me nog een gedicht. In dat opzicht is het verschil met vroeger niet groot, ik trof zelden een gedicht aan dat me niet meer losliet. Alleen had ik meer levenskracht en leeslust, wou het allemaal kennen, ook als het niet van de hoogste rang was. Nu ontbreekt me de moed en de volharding om het mindere op de koop toe te nemen. Laat maar, denk ik, dat hebben we al gehad.

Wie de vermoeidheid kent, spreekt daar niet lichtzinnig over. Wie ze doormaakt, spreekt er helemaal niet over, de kracht daartoe ontbreekt.

Onverdraaglijk is het besef en de ervaring van de apathie. Je ontkent het bestaan van die druk zolang mogelijk voor jezelf, maar je onverschilligheid groeit. Naargelang je energie nalaat, begint de matheid toe te nemen. "Je moet je daartegen verzetten" is het eerste wat mensen je zullen zeggen. Ze geven er zich geen rekenschap van dat je vermoeidheid niet overgaat. Je denkt: na een nacht slapen ben ik weer fit. Het is waan. Je staat op, even vermoeid als toen je naar bed ging. Je bent niet goed gezind omdat je vermoeid bent, je had het anders verwacht. De sleur begint. Het eerste waar je je restje energie insteekt is in je verzet. Het bewustzijn van gebrek aan weerstand maakt dat je het anders wil. Je dwingt jezelf tot sterkte. Even lijkt dat te lukken. Even. Dan zoek je een stoel, en - als het kan - rust. Het gaat niet meer, en precies dat wil je niet toegeven. Je wordt er niet blijer van. Pas als je zit, voel je hoezeer je daar nood aan had. Als je nu gaat liggen en je ogen sluit... Het is de enige behoefte die zich opdringt. Laat me gerust. Er is niets heerlijkers dan de slaap.

Als je daar niet aan toegeeft, blijf je moe en humeurig. Als je wel toegeeft, wordt je wat later wakker met het wrange gevoel dat je geen weerstand in je lijf hebt, dat je niets meer de baas kunt. Je zit er chagrijnig bij, boos op jezelf, ziek van vermoeidheid en onmacht. De slaap heeft niet geholpen. Je kunt niet anders dan kunstmatig wat schijn-energie opdoen, je drinkt een kop sterke koffie. Niet te sterk - daar heb je de beperkingen weeral - of je hart slaat op hol.

"Niets moet nog en alles mag." Daar kwam Patricia de Martelaere mee aandragen toen het over ouderdom ging. Ze zal nooit weten wat dat is. Ze is dit jaar - 2009 - gestorven, net geen 52 jaar, hersentumor. Vreselijk is dat. Ze had moeten meemaken hoe dwaas ze over het ouder worden en het oud zijn schreef.

Onlangs dacht ik daar nog aan, toen ik een brief schreef aan de procureur. Ik had "een inbreuk" gepleegd. Ik had langer dan een kwartier gestaan op een plaats waar een bord stond: met de aanduiding Max. 5 min. Daar gaf ik wat uitleg bij.

Aan de heer Procureur des Konings,


Dit is geen betwisting van feiten, dit is alleen een poging om de menselijkheid een kans te geven.

Waar het in dit geval om gaat, is in feite het in gebreke blijven van mijn geheugen op korte termijn. Ik ben 81 en moet toegeven dat ik daar sinds een paar jaren last van heb. Stel u voor: mijn vrouw zegt om negen uur 's morgens tegen me: wil je naar de beenhouwer gaan en vier malse biefstukken halen? Ik zeg ja, ga naar mijn kamer om mijn portefeuille te halen, zet de computer al aan, ik wil straks nog wat gedichten uit het Spaans vertalen. Ik zie dat ik e-mail heb van Mariano Shifman uit Argentinië. Ik lees, ik antwoord, maar van biefstuk is geen sprake. Rampzalig, mijn vrouw is twintig jaar jonger dan ik en zegt dus om elf uur dat ik niet om haar geef, want ik vergeet "altijd" (zegt ze) wat ze mij vraagt. Daar sta ik dan met een rood hoofd.

Ik heb aan de luchthaven dat bord met Max. 5 min. duidelijk zien staan. Ik herinner me zelfs dat ik heb gedacht: 5 minuten, daar moet ik op letten, maar aangezien ik mijn vrouw en dochter Lieve (de tweede van drie, plus een zoon) alleen even met hun bagage naar binnen help, ben ik direct terug. - Daar was ik op dat ogenblik zeker van. -

En wat gebeurt er? Bij het wegen van de bagage - er waren geen passagiers aan de balie, het ging er heel rustig aan toe - bleek dat het gewicht te hoog lag, niet veel, voor hen twee samen 5 kg overgewicht. De baliedame gaf een hele uitleg over hoeveel het mocht zijn, hoe je kon vermijden dat het te veel werd, wat je met het teveel kon doen, een simpele oplossing die ik me al niet meer herinner, enfin, een hele uiteenzetting, prettig om horen zelfs, de dame vertelde graag anekdotes tussendoor. Dat zette mijn vrouw ertoe aan om te vertellen dat ze naar onze dochter in Turkije ging, Beatrijs, de derde van drie, ze woont in Gündogan op een half uur van Bodrum, is met een Turk getrouwd, heeft twee kindjes. En patati en patata.

Dat bord met die max. 5 min. ben ik vergeten. Nu ik er door de PV aan herinnerd word, weet ik ook dat het verkeerd was. Maar wat doe je tegen ouderdomsvergetelheid? Die is er, die gebeurt, en daar houdt het op. Achteraf... Ja, achteraf. Je hebt geen misstap begaan, je hebt niemand wat in de weg gelegd, je hebt niemands leven in gevaar gebracht. Maar je krijgt een PV als had je godweetwat op je geweten. Een inbreuk. Maar wat wordt hier bestraft? Je leeftijd, je 81 jaar waarop je plots geen recht hebt want die brengt vergetelheid mee waar je niks kunt tegen doen, alle artsen-specialisten hebben het me verzekerd. U mag van geluk spreken, zeggen ze, denk maar aan al diegenen die niks meer kunnen vergeten... Ik ben voor mijn 81 inderdaad nog relatief gezond, fysiek en mentaal. Maar tegen de kleinere ongemakken waartegen niemand is opgewassen, ben ook ik onmachtig. Dat neem ik me kwalijk, maar ook dat helpt niet. De wet zegt: 5 minuten, en ze vraagt niet of je het dan nog weet. Deprimerend is dat vergeten wél.

Ik heb over oud worden veel gelezen wat door relatief jonge mensen geschreven was. De recentste artikels en boeken daarover zijn die van Patricia De Martelaere, filosofe, prof in Leuven. Haar geschriften over de ouderdom, over oud worden en oud zijn, kenden veel bijval. Ze zal nooit weten wat oud zijn is. Het is spijtig, ze is al gestorven, ze heeft de 52 niet gehaald, stierf dit jaar, hersentumor, vreselijk. Maar haar geschrijf over wat ze niet kende, was eigenlijk beschamend. Zo van: "Niets moet nog, en alles mag". Stel je voor, niets moet. Ik moet biefstuk halen bij de slager. En alles mag. Krankzinnig. Ik ging graag in zee zwemmen. Als ik nu in zee ga zwemmen, kom ik niet levend terug. Alles mag. Toen ik tussen de 40 en de 50 was, en zelfs later, heb ik er ook niets van geweten of verstaan. Nu ik 81 ben, weet ik wat het is 40, 50, 60, 70 te zijn. Ik had er geen benul van dat het zo erg is, na de 70. En dan betert het niet meer, integendeel, "de treden worden hoger, ieder jaar" (ik citeer mezelf, de zin komt uit een van mijn gedichten). En dat zijn niet alleen de treden van de trap. De andere treden zijn hoger, tot je er de tranen van in je ogen krijgt.

Geachte heer Procureur, eigenlijk heet ik Frans, Fa is daar een koosnaampje voor. Alleen al in Mechelen, waar ik werd geboren, kende ik vier mensen met de naam Frans Claes.
Fa Claes, dat ben ik alleen.

Met hoogachting en een vriendelijke groet.


"Niets moet nog en alles mag." Onzin, je kunt niets meer. Als je er de kracht nog voor had, ging je in een hoek zitten schreien. Het enige wat je doet: je haalt je schouders op.

De lastige kant van de zaak zul je toch zelf moeten dragen. De ogenblikken van neerslachtigheid nemen almaar toe, het worden perioden van de dag. De kwalijkste tijd komt 's middags, zo gauw je hebt gegeten. Of je het wilt of niet, je zetel en de slaap eisen je op. Het wordt een gewoonte, een dwang. Weinig moeite kan het kosten om niet meer uit de zetel of uit bed op te staan. Je begrijpt dat sommigen zich door gemakzucht daar laten toe overhalen. Ook als je ligt, gaat de dag voorbij. Je ondervindt dat er een soort van droomtoestand ontstaat waaruit je liever niet wakker wordt. De onaangename kanten van het leven; de vermoeidheid; de onmogelijkheid om je te verplaatsen, te wandelen, te fietsen; je constante neerslachtigheid; je gemis aan kracht om nog enige conversatie te voeren die de moeite loont; de tegenzin tegen lezen die weerzin is geworden, van ontzaglijke behoefte omgeslagen in langdradig en zwaarwichtig tijdverdrijf, onbenullige betweterij van wie het zomin weten als jijzelf; kortom alles wat betekenis aan je leven gaf, is je ontnomen. Het genieten van ideeën, kleuren, vormen, muziek... Niets blijft over. Alleen weerhoudt je de gedachte aan je vrouw en je kinderen en wie zij liefhebben. Als zij er niet waren, ging je vandaag nog naar de kast waar je de overdosis bewaart. Vandaag is al zo slecht dat je weet: het wordt morgen of overmorgen niet beter. Het mag gedaan zijn, nu.

Het gaat me nochtans goed. Ik vecht deze depressie wel door, ik heb al meer depressies doostaan. De eerste ben ik zo beschadigd doorgekomen dat later geen enkele andere me nog diep kon raken. Maar toen was het te laat. Ieder heeft wel zijn beperkingen doorgemaakt. Alleen politiekers hoor je dat nooit bekennen, die hebben alleen voor eigen en andermans glorie gezorgd, beweren ze. Ze zijn het liegen gewoon. Ze worden door anderen daarin gesteund. Kijk maar, toen ze Winston Churchill na de oorlog geen Nobelprijs voor de vrede konden geven, gaven ze hem - volslagen onverdiend - de prijs voor literatuur. Dat jij dat niet apprecieert, zal ze een zorg wezen, zij zijn in de meerderheid, jij staat daar heel alleen. Mundus vult decipi. De leugen regeert. Hoe straffer de leugen, hoe meer ze wordt geloofd. Dat is waar geloof voor dient.

Ik vrees dat veel ouderen door gemakzucht de weg van de verwarring, van de dementie inslaan. Het moet voor velen een verslossing zijn, bevrijd te worden van de lasten van dit leven. Als je je oordeel en onderscheidingsvermogen opgeeft, heb je geen verantwoordelijkheid meer, zelfs niet meer voor jezelf. Wanneer je afstand doet van jezelf, kan niemand je nog raken, je bent ongenaakbaar, alles vloeit over je heen, alles vloeit heen.

Enkelen, ikzelf ook, zijn verslaafd aan hun bewustzijn. Dat zijn degenen die weigeren op te geven. Ze houden zich met onverschillig welke stiel of tijdverdrijf bezig, maar bij de minste afwijking in het rationele patroon zijn we gealarmeerd. Zoals in alles vind je ook hier gradaties. De man die bij mijn weten meest aan zijn bewustzijn vasthield, was Karel Jonckheere. De anesthesist kon hem nauwelijks onder narcose krijgen, zozeer was Karel aan de beleving van het ogenblik gehecht, hij wou die beleving niet loslaten. Ook 's nachts niet, hij sliep twee tot drie uur per nacht, nooit meer. Daardoor had hij zoveel tijd meer in zijn leven dan mensen die minimum zeven uur slaap nodig hebben.

Maar de anderen, degenen die het klaarblijkelijk opgeven? Je krijgt geen antwoord op de vraag waarom ze de verdwazing ingaan. In het geval van Alzheimer en aanverwanten weten we dat ziekte de mens aantast. In vele gevallen is diagnose moeilijk. Vaak zijn er geen aanwijsbare redenen voor dementie in verschillende gradaties. Degenen die ons konden inlichten, zijn precies daartoe niet meer in staat. We kunnen alleen van buiten uit vaststellen.

Wie kan ik een genoegen doen met mijn sombere ogenblikken, uren, dagen? Niet eens mezelf. Het zijn geen schaduwen die me volgen, ze lopen mij voor de voet, staan me in de weg, ik moet ze opzij duwen om verder te komen. Ga weg, zeg ik, maar mijn stem is te zwak. Ik kan beter gaan neerzitten. Maar nee, doe het niet, als je aan zwakheid toegeeft, komen de tranen. Of erger, de onverschilligheid, de verdediging tegen de overmacht van het leven dat je ontgaat. Je hebt geen verweer, je weet dat alle verzet nutteloos is. Waar zijn ze die macht hadden en zogezegd groot waren? Ergens onder een zerk. Waar zullen ze allen zijn over enkele jaren, over vijf miljard jaar? Belachelijke praatjesmakers die elkaar moeten bewieroken om de indruk van eigen belangrijkheid te kunnen vertroetelen. Laat ze maar doen. Voor iedereen wacht ... ein Grab in den Wolken da liegt man nicht eng. Of je denkt aan de Duitse "Sondermeldungen" uit 1941, waar we na zoveel jaren soms filmflitsen van zien: de duizenden Russische krijgsgevangenen op weg naar hun dood.

Het gebeurt dat je stemming even later wordt verzacht doordat je vrouw thuiskomt met een nieuwe blouse of een nieuw manteltje dat haar beeldschoon staat. Het leven van het ogenblik krijgt weer de bovenhand en de schaduwen schuiven op, ver genoeg, tot net buiten de deur. Je weet ze daar wel, maar hun zwarte vlekken hebben niet meer de kracht om vlak voor je ogen te staan. Als je je wegdraait van de deur heb je zelfs de indruk dat ze er niet meer zijn.

Even gaat zelfs een andere deur, die naar de gelukzaligheid open: Agnes zingt. Hoogst zelden zingt ze nog. Haar stem benadert het meest de stem van Elly Ameling. Maar het is te laat. Pas toen ze haar schildklier voor driekwart liet wegnemen, kwam haar stem echt vrij. Ze was toen al boven de vijftig. Na de operatie werd haar stem onnoemelijk sterker en de warmte ervan zoveel ruimer. Ze zingt "Ex utero ante luciferum genui te" uit Dixit dominus van Vivaldi. Het is voor mezzo of alt bedoeld, denk ik, Agnes haar hoge sopraan is met de jaren iets verlaagd. Ze weet niet dat ik haar hoor, ze weet niet dat ik stil uit mijn kamer kom om dichterbij te staan luisteren. Het is verbazend hoe een aangrijpend moment vol melancholie om zoveel verlies toch de kracht kan hebben om door de opgewekte schoonheid ervan te troosten. Wel staan de tranen me in de ogen. De pijn snerpt in mijn hart.

Aanvulling

Meest dwingend is de leeftijd, maar je weet niet vanaf wanneer. Je verzamelt nog eens je krachten, je wil uitdrukken waar het op aan komt, een slotwoord, een samenvatting, de ultieme vaststelling. Je tracht door te dringen. Dadelijk ondervind je dat je zelf het enige obstakel bent. Daarbuiten ken je niets dat je steun kan bieden, je bestaat alleen binnen jezelf al ben je nog zo naar de anderen gericht. In feite bereik je niemand; niemand bereikt jou. Je bent het individuele geval waaruit je niet los raakt, dat je niet overtreft, dat je wel aanvoelt als het model voor alle anderen omdat je geen ander model kent of kunt zijn, zelfs niet als je vermoedt dat een ander model kan bestaan en je misschien overtreft. Ver overtreft? Het lijkt wel of het vermoeden van een groter model het eigen model tot het grotere model vergroot. Over het onbekende kun je geen oordeel uitspreken. Spreek je een oordeel uit, dan sta je boven het beoordeelde, correcter uitgedrukt: dan stel je je boven het beoordeelde, anders kun je het niet overzien. Het is de niet uitgesproken trots van ieder die zijn mening te kennen geeft.

15 - 12 - 2009

De grote aftakeling lijkt aangebroken. Al weken stel ik altijd weer uit, alles. Ik kom er niet toe op te schrijven hoezeer de vermoeidheid me verhindert om onverschillig wat aan te vatten of voort te zetten. Het gebrek aan fysieke kracht ontneemt me energie om mijn gedachten te ordenen. Alles overvalt me, letterlijk, het stapelt zich boven me op, een uitweg vind ik nergens. De stapel verplettert me. Wat overblijft is een versuft, verpletterd ik. Nog vóór ik wat begin, geef ik het op. Ook nu.

7 - 3 - 2010

Mijn hoofd zit vol zinnen die ik dringend moet noteren tot op het ogenblik dat ik daartoe de kans krijg. Dan loopt mijn hoofd leeg en zit ik me af te vragen wat ik noteren moest, en hoe.
Ik moet nog schrijven over "een gelukkige oude dag". Langzamerhand dringt door dat die niet bestaat. Je rekent jezelf tot de gelukkigen omdat je nog bekwaam bent te noteren wat in je omgaat. Ik ken het percentage niet van wie zo oud en ouder zijn als ik en die nog over de kracht en de wilskracht beschikken om hun ervaringen en bedenkingen op te schrijven.
Altijd kom je terug bij de grote paradox: je wil de toestand van krachteloosheid weergeven, de overwegende toestand waarin je verkeert. Op het ogenblik dat je die doormaakt is het onmogelijk om hem weer te geven, te beschrijven, uiteen te zetten. Je kunt alleen achteraf, als je je korte tijd beter voelt, een benadering ervan proberen, een flauwe benadering, vermits je nooit vanuit de kern van de depressie de kracht haalt om het dieptepunt te vatten, zeker niet om het op enigerlei wijze uit te drukken. Je maakt het door. Daarna blijven impressies over. Je hebt neiging om te overdrijven. Je hebt evenzeer de neiging om te minimaliseren. Als je levenskrachten weer het hoofd opsteken, wil je daar liever van genieten dan te gaan kniezen over wat je liefst vergeet. Komt het straks terug, goed, dan zien we wel hoe we daar doorheen komen. Nu schijnt de zon even, de warmte doet deugd, je schurkt je rug tegen de leuning van je stoel en denkt: komaan, het kan maar mooi zijn. De glimlach waarmee je jezelf bekijkt, wamt meer op dan de zon.

9 - 3 - 2010

Ik moet dringend schrijven over seks op hoge leeftijd, mijn leeftijd. De moeilijkheid bestaat erin dat je daar weinig over kunt zeggen zonder naar je partner te verwijzen. In je eentje seks bedrijven, dat lijkt me op hoge leeftijd niet aangewezen, al weet je nooit. Maar ook dan verwijs je naar je partner. Als een oudere man mij moest zeggen dat hij masturbeert, dan zou ik onvermijdelijk denken: weet zijn vrouw daarvan, of is ze niet in staat hem te bevredigen? Uit kleine aanwijzingen maak je soms op dat een vrouw op jaren een andere houding aanneemt tegenover seks dan een man. Zolang de potentie er is, blijft seks aantrekkelijk. Je vrijt niet meer zo vaak als vroeger. De jaren waarin je elke dag tenminste tweemaal vrijde, liggen een eindje weg. Dan kwamen de jaren dat je elke dag vrijde. Tot het je verbaasde dat je een dag oversloeg. Op latere leeftijd werd het tweemaal per week, nog later één keer. Het vreemde eraan is dat je, wat je aan kwantiteit inboet, aan kwaliteit wint. Ik bedoel: uit mannelijk standpunt bekeken, je bent nooit helemaal zeker van de genietingen van je vrouw. Dat is een onderwerp waarover zij liefst zwijgt. Voor zover bekend hebben vrouwen het niet graag over hun orgasmen, zeker niet over het aantal orgasmen per vrijbeurt, ook niet als ze niet gering zijn. Je zou denken dat een vrouw daar een beetje trots op mag gaan, of tenminste gewoon zeggen wat er gaande is. Nee. Het is beter dat de man discreet blijft op dat punt en aanvaardt wat hem geschonken wordt.
Een enkele keer zegt een van je vrienden dat hij zich nog eens achttien jaar voelde. Hij kwam met zijn vrouw van een bruiloftsfeest, een aanstekelijke bedoening. Ze hadden er uren tussen jonge mensen doorgebracht in een atmosfeer van uitgelatenheid en bedekte of onbedekte erotiek. Alle vreugde die er heerst, barst los uit de verrukkingen van het vlees. Toen ze thuiskwamen hadden ze het smeulende vuur aangewakkerd, om niet te zeggen alle duivels ontbonden. Hij vond dat zelf maar een lelijke manier van zeggen om weer te geven dat de heerlijkheden van het lichaam in volle bloei hadden gestaan. Het was een weelderige lente geweest van opgaan in elkaar, een samenvloeien dat geen grenzen kent of verdraagt.
De man is even oud en hartpatiënt als ik. De volgende dag werd hij voortdurend aan de vorige avond en nacht herinnerd, de esbattementen hadden hun sporen nagelaten, pijnlijke sporen, zei hij. Hartlijders kunnen beklemmingen krijgen die zich hun naam waardig tonen. Dat zijn geen louter fysieke beklemmingen, je voelt je als mens in het nauw gedreven, je kunt geen kant meer op. Die toestand is moeilijk te benoemen, je weet niet of je erdoorheen komt, ze drukken je met je rug tegen de muur. Je beseft dat ze maar even langer en feller moeten drukken, dan ben je er niet meer, dan is alles voorbij. Je hart en je keel voel je zo dichtgeknepen dat je hersenen niet functioneren. Je wordt bleek binnen in je hoofd, doodsbleek. Onrust, onmacht, weekheid, angst. Je hebt geen zeggenschap meer, een andere macht heeft je die afgenomen en je weet niet wat die er gaat mee aanvangen. In het beste geval krijg je na een tijd je zeggenschap terug. In het andere geval neem je al je belevenissen met je mee zonder dat we nog van je horen.

15 - 04 - 2010

In verband met seks staat het esthetisch beleven van het naakt - en alle ontroering die ervan uitgaat - voor mij hoger dan welke aandrang ook. Van mijn beste vrienden weet ik dat het ook voor hen het geval is. Vanaf de prilste lokroep - de eigene of die van de partner - tot de uiteindelijke glorie van het orgasme en de na-belevenis is de telkens opnieuw beleefde ervaring gericht op schoonheid en doorleving van schoonheid. Vanzelfsprekend staat die beleving niet los van de geliefde, de intens geliefde, en van je meest intense gevoelens voor haar gekoppeld aan de meest intense beleving van jezelf, je zelf.
Wat aan het naakt in afbeeldingen ontbreekt, is de felle toets van het authentieke, de trilling van de levende huid en de warmte van het geestelijke contact. Vooral de onmogelijkheid om innerlijke reactie van de persoon te mogen beleven, al was het maar door een beweging van hoofd of hand, maakt de afstand zo groot, de mens zo onbereikbaar. Dat is precies wat enkele beeldhouwwerken zo uniek maakt: ze benaderen de levensechtheid zozeer dat je ze zou aanspreken. Ondanks alle gemis is toch iets van de levenskracht aan het beeld meegegeven zodat je het bestasten zou en schrikken van de levenloosheid maar terzelfder tijd bijna juichen om de heerlijkheid van de vorm.

Dr. Fa Claes

 

 



Terug naar Index