De roem

Ze gunnen mij mijn naam. Dat is geen wonder,
hij is niet eens gekend. Hun eigen faam
opfokken in hun kring, dat houdt ze saam
alsof ze daardoor groot zijn én bijzonder.


Hun hele leven loopt gebukt daaronder
en als ze sterven helpt hun grote naam
geen zier; dood gaan ze, even onbekwaam
met naam, en triestiger dan ik daarzonder.


Het vuur is niet beroemd. Het water draagt
geen naam. De bergen hebben nooit geklaagd
dat wind, zelf naamloos, ze geen naam kan geven.


Toch loeit het vuur wanneer de bosbrand laait
en giert de storm als hij orkanen zaait.
Geen náám begeert Natuur, Natuur is Leven.







De Caesars

Je ziet ze op de prent: geen touw, een keten
boeit ze. Twee Nerviërs. God, god, hoeveel
miserie is het miserabel deel
van schamelen die voor hondsvot zijn versleten


en door de Caesars met hun vals geweten
vertrapt. Miserie is het die de keel
dichtknijpt van slaven in het nors gareel
van dwang en onmacht grimmig vastgebeten.


Geef antwoord, Caesars! Wat voor heldendaad
is het die overal de kop inslaat
van wie te zwak zijn om hun vrijheid te vrijwaren?


Negers, Joden, de Salvadoriaan,
de Pool, de Bask, wat hebben zij misdaan?
De ramp is dat er steeds weer Caesars waren!







Moeder

Zevenentachtig jaar. Dan volgt het wachten.
Al zeven dagen heb je niets gezegd.
Je hebt je hoofd of hand niet eens verlegd.
Al zeven dagen en al zeven nachten.


In je gezicht worden de groeven grachten.
Je bent grijsblauw. Niets in je dat nog vecht.
Je drinkt niet, eet niet; ademt, maar niet echt.
De kamer, roerloos, staat vol vreemde machten.


Je geeft de geest. Wie in de wereld weet
van dit gure sterven? Hoelang of breed
dit noodlot was, het was geen mens gegeven


daaraan te tornen. Slechts mijn pijn vergroot
door 't weten dat ik weet: nu ben je dood
en dood betekent niets dan niet in leven.







Vader

Hoe vaak hebben je handen mij gestreeld?
Hoelang drukten je vingers zachte dwang
in klei toen je de curve van mijn wang
en mond en kin boetseerde naar het beeld


van gave liefde die mij heeft geteeld?
Wie raadt van dit ruim hart de stille drang
die groeit en je beheerst en dwingt, zolang
tot in mijn hart zich uw hart mededeelt?


Zie ik mijn beeld, dan zie 'k jouw ogen staan
zodat ikzelf - jouw liefde kijkt mij aan -
beklemd begrijp wat dit jou heeft gedaan.


Och, mocht je weten wat dit beeld mij doet.
Mijnt trots komt hier jouw liefde tegemoet.
Ik ben je zoon, vader, ik ben je bloed.







Toch

Bij al de twijfels en de onzekerheden
en wat de dag mij voor de voeten smijt
en al wat weg is en wat enkel spijt
nalaat, dat sterfbed van mijn tederheden...


De bleke vreugden die niet half voldeden,
't verdriet daarna, wildgroei van zelfverwijt,
verstrikte braamstruik van wat mettertijd
verlepte: duurzaamheid, met naam verleden...


En toch! Al was dit leven honds en scheef,
één ding is mij van jongs af bijgebleven:
de zekerheid, mijn grootst geluk: ik leef!


Wat anders was het dat mij verder dreef?
Het leven drijft mij, en dat vult mijn leven
zozeer dat ik 't mijn kinderen verder geef.







Achnaton

Een terp voor mij, voor mij geen piramide;
ik heb geen priesters in hun bijgeloof
ontzien en bleef mezelf, halsstarrig doof
voor vaag geluk dat zij mij zouden bieden.


Tussen mijn hoge zin en deze lieden
verschrikt de afgrond dieper dan de kloof
tussen mijn eerlijkheid en hun geroof.
Vandaar hun nijd. Maar ik blijf ze verbieden.


Nu, na mijn dood, schenden zij mijn gezicht.
Dwaasheid te meer! Het stelt in 't volle licht
dat slechts verdwazing hen heeft aangedreven.


Bekrompen machtsdrang kon mij niet weerstaan.
Zijn zonnestelsels aan hùn blik ontgaan,
ik, ík heb klaar gezien: de zon schept leven.



Terug naar Index